You are currently browsing the monthly archive for december 2008.

Afgelopen semester nam Gerard de Vriend afscheid van de UvA als docent Moderne Nederlandse Letterkunde en Kinder- en Jeugdliteratuur. Voor deze gelegenheid waagden zeven van zijn collega’s zich voor één keer op De Vriends vakgebied. Het resultaat: een speciale aflevering van het tijdschrift Literatuur zonder leeftijd, met opstellen over jeugdliteratuur van Amsterdamse Neerlandici, ofwel: een liber amicorum voor Gerard de Vriend.
Het tijdschrift begint met een tekst van de vertrekkende docent zelf, waarin die vertelt over zijn ‘literaire socialisatie’, vanaf de lagere schooltijd met de Donald Duck en Spin Sebastiaan, via Arendsoog en Witte Veder, tot de HBS en de collegebanken. De Vriend’s eigen bijdrage wordt gevolgd door een essay van Lisa Kuitert, die een voetnoot plaatst bij het boekenplankje van Anne Frank en onderzoekt welke boeken tijdens WOII voor kinderen beschikbaar waren. Daarop schrijft Jef Bogman over ‘de echte Marc’ achter Paul van Ostaijens beroemde kindergedicht “Marc groet ’s morgens de dingen” en doet Nico Laan verslag van zijn zoektocht naar kinderdebuten in de Nederlandse, Engelse en Franse literatuur. Klaus Beekman bespreekt vervolgens de kritiek op de ‘uitstapjes’ naar de jeugdliteratuur van de ‘volwassen’ auteurs Armando en J.F. Vogelaar. Michiel van Kempen laat ons kennismaken met Ismene Krishnadath: de enige bekroonde Surinaamse schrijfster van kinderboeken. En Marita Mathijsen beschouwt de jeugdliteratuur rond 1830-1850: wat lazen de kinderen van toen? Gerard Raat, tot slot, vraagt zich af welke sporen de jeugdliteratuur heeft achtergelaten in het werk van Willem Frederik Hermans. Het nummer eindigt met een uitgebreide bibliografie van Gerard de Vriend, zijn artikelen en studies, colleges en gastcolleges.
Literatuur zonder leeftijd is in de Letterenbibliotheek (locatie P.C.Hoofthuis) te vinden in de kast met lopende tijdschriften. Oudere edities, van 1986 tot en met 1993 (onder de titel Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur) en van 1993 tot en met 2008, zijn ter inzage beschikbaar vanuit het UB-Magazijn. Het proefschrift van Gerard de Vriend uit 1996, Literatuuronderwijs als voldongen feit: legitimeringen voor het leren lezen van literatuur op school, is te lezen en lenen in de Letterenbibliotheek (locaties P.C. Hoofthuis en Bungehuis) en uit het UB-Magazijn.
Links: Jeugdliteratuur in de DBNL, Villa Kakelbont.be, De Twinkeltuin, het Kinderboekenmuseum in het Letterkundig Museum en Leesplein.nl.
Sou ek die dorpie eendag weer bereik
tussen die bog van rante en rivier
waarbo die kerk se koepel sierlik pryk
onaards en swewend in die skemeruur?
Sou ek nog eens my ooglede kon sluit
tussen my hart en alles rondom my
wanneer die klok se roepende geluid
weer koel en suiwer uit die toring gly?
Aldus Elisabeth Eybers (1915-2007) in het gedicht “Droom” uit de bundel Die vrou en ander verse (1945). Het vers is afgedrukt in de laatste aflevering van het tijdschrift De Gids dat is gewijd aan ’plaatsen van Afrikaner herinnering’. Eybers vertrok in 1961 van Johannesburg naar Nederland, maar bleef altijd vertellen over haar jeugd – haar kleintyd in Zuid-Afrika, “hoe ouder zij werd, hoe vaker”, aldus Ena Jansen in het begeleidende essay. Jansen promoveerde in 1992 op Eybers’ Amsterdamse bundels en schreef vervolgens het boek Afstand en verbintenis: Elisabeth Eybers in Amsterdam (1998). Voor De Gids selecteerde zij enkele autobiografische proza-fragmenten uit Eybers’s oeuvre, die ooit gebundeld werden onder de naam ’Pastoriedogter’. De Nederlandse vertaling, ‘Een domineesdochter’, is van de hand van Riet de Jong-Goossens.
Het idee voor dit Zuid-Afrika nummer ontstond nadat in september 2007 aan de Universiteit van Stellenbosch een congres werd gehouden over de werking en verbeelding van het collectieve Afrikaner geheugen. Organisator van het congres, Siegfried Huigen, legt in zijn inleiding bij deze Gids uit hoe de collectieve herinnering tegelijkertijd houvast en last kan zijn:
De nieuwe Zuid-Afrikaanse staat doet zijn best een nieuw boven-etnisch historisch besef te ontwikkelen met nieuwe plaatsen van herinnering, zoals het leed dat het kolonialisme heeft veroorzaakt, de ‘Struggle’ en Robbeneiland. (…) Het ideaal ervan is dat de burgers van de Republiek uiteindelijk allemaal dezelfde collectieve herinneringen zullen hebben om het potentieel van etnische conflicten weg te nemen. Anderzijds is er al jaren een massale emigratie van jonge blanken gaande naar landen uit het voormalige Britse Rijk. (…) Deze emigranten koesteren weliswaar rugby, ‘braai’ en ‘biltong’, maar hechten niet sterk meer aan de immateriële aspecten van hun culturele erfenis. Zuid-Afrika en de Afrikaner identiteit zijn voor velen van hen ballast die ze liever van zich afschudden.
Naast wetenschappelijke essays als van Huigen over het Afrikaner geheugen en over taalmonumenten, van Marlene van Niekerk over ‘de etende Afrikaner’, van Stephanus Muller over het Zuid-Afrikaanse volkslied De Stem en van Gerrit Olivier over ‘de lokasie’, bevat dit Gids-nummer literaire bijdragen van Wilma Stockenström, Gert Vlok Nel, Charl-Pierre Naudé en Antjie Krog en illustraties van de cartoonist Anton Kannemeyer, in Zuid-Afrika beter bekend als Joe Dog.
De foto op de voorkant van deze Gids, met als bijschrift ”strand, 11 sep 1955″, is afkomstig uit het album van Ena Jansen: twee blanke kindertjes aan de hand van een zwarte vrouw – “ieder aan een hand van Meisie op het strand. Onze speelkameraad en behoeder. Ze heeft witte schoenen en witte sokken aan. Wij ook.” In een persoonlijk-wetenschappelijk relaas doet Jansen vervolgens verslag van haar zoektocht naar de sporen van de zwarte meisies in haar eigen familiearchief en in de Zuid-Afrikaanse literatuur, en zij concludeert:
Ondanks constante aanwezigheid decennialang is de bediende bijna onzichtbaar en onhoorbaar. (…) Ik zou alle Zuid-Afrikaanse romans willen lezen op zoek naar vrouwen met kapjes en hoofddoeken die in het hart van de keukens hebben gestaan, die zo erg veel voor ons hebben gedaan, die door de gangen draafden, en die anders door de achterdeur uit onze herinnering zullen verdwijnen.
De Gids, nr. 11/12, jaargang 171 (2008) staat vanaf nu in de tijdschriftenkast van de letterenbibliotheek (locatie P.C. Hoofthuis). Meer Afrikaanse taal- en letterkunde is beschikbaar onder plaatsnummer 279: ZAF. De laatst-verschenen bundel van Elisabeth Eybers Klinkklaar (met luister-cd) vind je in de aanwinstenkast van de letterenbibliotheek (P.C. Hoofthuis).
Vandaag, 18 december, vanaf twee uur vanmiddag tot middernacht, wordt de nieuwe dichtbundel van Tsead Bruinja (1974), Angel, gratis op het internet aangeboden. De bundel telt veertig pagina’s en is als pdf-bestand op poëzieweblog De Contrabas te downloaden. Bruinja’s advies voor het printen: gebruik zo groot en dik mogelijk papier en stel de inkt in op “best quality”. Naast Friestalige gedichten (met Nederlandse vertalingen) bevat Angel paginagrote bijdragen van zes beeldend kunstenaars onder wie Roos Custers, Anne Feddema, Joep van der Made, Mowaffk Al-Sawad, Ramon Verberne en Hans Wap. De bundel verschijnt ook als tabloid bij Uitgeverij Bornmeer, in een oplage van 2.000 exemplaren (prijs: € 4,50).
Het is voor het eerst dat een bekende Nederlandse dichter – die bovendien kandidaat Dichter des Vaderlands is – een dergelijke actie onderneemt. Bruinja kwam op het idee door popgroepen als Radiohead en Coldplay, die eerder hun werk via het internet gratis beschikbaar stelden. “Ik wil kijken of ik zo meer lezers kan bereiken”, laat de dichter weten. “De poëzie in deze bundel handelt over schuld en woede, universele thema’s. Woede als wraak, maar ook woede die in de genen zit, woede van voor de geboorte. Ik wil dat zoveel mogelijk mensen daar kennis van nemen. Downloaden is dan een goed middel.” (bron: Woest en Ledig)
Vorige bundels van Tsead Bruinja zijn: De wizers yn it read (2000), De man dy’t rinne moat (2001), Dat het zo hoorde (2003), Batterij (2004), Bang voor de bal (2007) en De geboorte van het zwarte paard (2008). Verder werkte Bruinja als redacteur mee aan de boeken Droom in blauwe regenjas: een keuze uit de nieuwe Friese poëzie sinds 1990 (2004), Kutgedichten: poëzie over de vrouwelijke genitaliën in 69 en enige gedichten (2004) en Klotengedichten: poëzie over de mannelijke genitaliën in 69 en enige gedichten (2005). Al deze publicaties zijn in onze bibliotheek te lenen, vanuit het UB Magazijn, of de letterenbibliotheek (locatie P.C. Hoofthuis, plaatsnummer 114: FRIES).
Meer Friese poëzie lezen? Afgelopen jaar verschenen ook de bloemlezingen Het goud op de weg. De Friese poëzie sinds 1880, onder redactie van Abe de Vries en de Spiegel van de Friese poëzie, samengesteld door Geertrui Visser, Pier Boorsma en Teake Oppewal. Beide boeken zijn te vinden in de letterenbibliotheek (locatie P.C. Hoofthuis, plaatsnummer 114: FRIES).
De officiële presentatie van Angel vindt vanavond plaats, vanaf 20.30 uur in Perdu, met gastoptredens van Wim Brands, Anneke Claus, Erik Jan Harmens, Elmar Kuiper, Thomas Möhlmann en Jabik Veenbaas.
Vanavond half negen is het weer zover: dan wordt voor de negentiende keer het Groot Dictee der Nederlandse Taal uitgezonden, voor het eerst geschreven door een Vlaamse auteur: Kristien Hemmerechts. Om alvast in de stemming te raken heeft de NPS een website aan het Dictee gewijd, waarop ook oude dictees kunnen worden bekeken en beluisterd en, natuurlijk, gespeeld. Verder kan je je spelling testen met een woordspel, of zindictee.
Voor de gelegenheid heeft ook het Genootschap Onze Taal dit jaar een oefendictee samengesteld, met zeven dicteevideo’s op YouTube. Daarin leest oud-journaalpresentatrice Henny Stoel, tevens bestuurslid van Onze Taal, pittige dicteezinnen voor.
Maar de meeste oefendictees zijn te vinden via de website van het Groot Deventer Dictee: maarliefst 319, de grootste dictee-collectie online, waaronder de dictees van het Davidsfonds, Limburgse en Noord-Bevelandse dictees, het Amersfoorts, Haarlems, Houtens, Leids, Maastrichts en Rotterdams dictee, de dictees van de Vereniging Algemeen Nederlands, afdeling West-Vlaanderen en van de Nederlandse Vereniging van Directiesecretaressen, het Ambtenarendictee, het Sadistisch dictee en nog vele meer. En dan zijn er nog de Dikke Drieduizend Dicteewoorden, opgeschreven door Roos de Bruyn in opdracht van Onze Taal. Deze lijst is ook in boekvorm uitgebracht en in onze letterenbibliotheek (locatie P.C. Hoofthuis) te vinden onder het plaatsnummer 113: NED NT’35 DIK.
Meer weten over de Nederlandse spelling? Zoek online in de Woordenlijst Nederlandse Taal en neem een kijkje op het Taaluniversum van de Nederlandse Taalunie, of op VanDale Taalweb. Andere online-spellingkwesties vind je op VRT Taal.net, de virtuele taalbank van de Vlaamse publieke radio- en televisieomroep, of op de site Nederlandsewoorden.nl.
Boeken over de Nederlandse spelling vind je in onze letterenbibliotheek (locatie P.C. Hoofthuis) onder de plaatsnummers 113: NED NT’35 en 113: NED NT’271.
“Dialecten verdwijnen, of we dat nu leuk vinden of niet”, stelt taalkenner Wim Daniëls in de december-editie van Taalschrift, het internettijdschrift over taal en taalbeleid. ”Sommige mensen verdedigen luidkeels dialect, maar ze doen dat in de standaardtaal. Anderen spreken op het lachwekkende af een dialect waar ze niet mee zijn opgegroeid. Het enige wat je nog kunt doen, is je dialect vastleggen en er zo lang mogelijk van genieten”, aldus Daniëls.
Wil je deze discussie volgen, of eraan bijdragen? Klik dan hier. Wil je meer weten over verdwijnende, of juist over levende dialecten? Ga dan naar de website van Onze Taal. Daarop is vandaag, 16 december, een artikel te lezen uit Dagblad De Limburger over de vitaliteit van de Limburgse streektalen. Het stuk verwijst naar de resultaten van een internet-enquête naar dialectgebruik in Zuid-Nederland, samengevat in het onlangs verschenen Jaarboek 2007 van de Vereniging Veldeke Limburg. Aan het onderzoek, dat door de Universiteit Utrecht werd begeleid, deden ruim 5000 mensen mee, van wie bijna de helft (2347) uit Limburg. Uit de resultaten blijkt dat Limburgers vaker dan Brabanders en Zeeuwen hun dialect als voertaal gebruiken: “Bijna de helft van de Limburgers spreekt dialect op school en op het werk, tegen nog geen 20 procent van de Zeeuwen en maar 8,8 procent van de Brabanders. Ook het personeel in de supermarkt wordt door ruim 80 procent van de Limburgers in het dialect aangesproken, terwijl van de Zeeuwen 34 procent en van de Brabanders slechts 20 procent dan de thuistaal hanteert.”
Interesse in streektaal-onderzoek? De website van Onze Taal biedt talloze links naar informatie over dialecten, streektalen, creooltalen, het Fries, het Afrikaans, Nederlandse Gebarentaal en het Vlaams, zoals:
- de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (onderdeel van de afdeling Taalkunde aan de Radbouduniversiteit Nijmegen)
- Streektaal.net
- Lowlands-l.net (een discussie-site over de talen en dialecten van de lage landen)
- Jan Tuttel.com over naamkunde en dialectbenamingen
- De databanken van het Meertens Instituut waaronder PLAND (plantennamen in de Nederlandse dialecten), DynaSAND (de dynamische syntactische atlas van de Nederlandse dialecten) en MAND (de morfologische atlas van de Nederlandse dialecten) en de sprekende kaart (met geluidsfragmenten van meer dan 100 plaatsen in Nederland, die in de jaren ‘50, ‘60 en ‘70 door onderzoekers van het Meertens Instituut verzameld werden).
Vandaag wordt in Utrecht het Museum Dirkje Kuik geopend. Het is gevestigd in het voormalige woonhuis van de schrijfster, aan de Oude Kamp, nr 1.
Kuik overleed in maart 2008, op 78-jarige leeftijd. Behalve schrijfster was zij beeldend kunstenares en illustratice. Het museum, een initiatief van antiquair Jos te Water Mulder, toont Kuik’s etsen en litho’s, tekeningen, illustraties en literaire uitgaven, waaronder haar prozawerken en poëzie. De museum-site biedt alvast een inkijk in de unieke collectie en bevat bovendien een kleurrijke verzameling krantenknipsels, krabbels, foto’s en posters. Ook is er een link naar Grafisch gezelschap De Luis, dat in 1963 door Kuik werd opgericht, samen met de kunstenaars Henc van Maarseveen en J.H. Moesman (1909-1988), en waartoe ook de dichter Jan Emmens (1924-1971) en schrijver Jan Eijkelboom (1926-2008) behoorden.
Kuik debuteerde in 1969 met een bundel neo-romantische poëzie, getiteld 45 Gedichten. In 1974 volgde De held van het potspel, een fantastische vertelling over een oude vrouw die vlak voor haar dood terugblikt op haar leven. Het boek werd bekroond met de Vijverbergprijs (nu F. Bordewijkprijs).
Van haar geslachtsoperatie in 1977 (daarvoor heette zij William D. Kuik), deed zij verslag in een verhaal uit de bundel De nachtcactus bloeit (1982).
Dirkje Kuik was redactrice van het tijdschrift Maatstaf (1953-1999) en medewerkster van Hollands Maandblad. Haar laatste boek, met biografische essays, verscheen in mei 2008 en is getiteld München ‘38.
Link: www.dirkjekuik.com
Zie ook: Dirkje Kuik in de DBNL en op Boeken.vpro.nl.
Op de website van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag is sinds gisteren de KB-lezing 2008 van de Britse historica Lisa Jardine te beluisteren. Deze is getiteld “De reputatie van Constantijn Huygens: netwerker of virtuoos” en gaat over vraag waarom Constantijn Huygens (1596-1687) in de internationale historiografie niet de plaats heeft gekregen die hem toekomt.
Jardine is hoogleraar Renaissance Studies aan Queen Mary, University of London, directeur van het onderzoeksinstituut CELL (Centre for Editing Lives and Letters) en opiniemaker bij de BBC. Afgelopen jaar was zij als research-fellow verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek. De podcast van haar lezing werd gemaakt tijdens de feestelijke afsluiting van Jardin’s fellowship, op 4 december 2008. De historica ging in op Huygens’ culturele en diplomatieke netwerk en diens toonaangevende positie in het culturele leven in de Gouden Eeuw. Zij stelde dat Huygens’ positie als netwerker op historici weinig aantrekkingskracht heeft gehad, omdat die aan geschiedenissen van eenzame genieën de voorkeur gaven. Ter onderbouwing van haar onderzoek gebruikte Jardin de Huygens-collectie van de Koninklijke Bibliotheek.
Recent verscheen van Lisa Jardin ook Going Dutch. How Britain plundered Hollands’ Glory (2008), in het Nederlands uitgebracht als Gedeelde Weelde, over de wederzijdse culturele beïnvloeding tussen Nederland en Engeland in de zeventiende eeuw.
Jardin’s KB-lezing is verschenen bij uitgeverij Bert Bakker en is binnenkort te vinden in de letterenbibliotheek (P.C. Hoofthuis).
Onder de nieuwe aanwinsten van de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren bevindt zich deze maand het Verzameld werk van de Vlaamse schrijver en essayist Filip de Pillecyn (1891-1962). Het bevat zowel zijn romans – waaronder de beroemde bewerking van Blauwbaard (1931), de novelle Monsieur Hawarden (1935), over een vrouw die zich als man uitgeeft, en De soldaat Johan (1939) – als zijn letterkundige beschouwingen over collega-auteurs Stijn Streuvels (1871-1961) en Hugo Verriest (1840-1922).
Meer lezen en weten over Filip de Pillecyn? Bezoek eens de website van het Filip de Pillecyn Comité in Hamme, opgericht in 2003 met als doel de herinnering aan deze veelzijdige Vlaamse schrijver levend te houden. Dit gebeurt onder meer door de uitgave van het Jaarboek ‘Filip de Pillecyn Studies’, dat sinds 2005 verschijnt en waarvan onlangs de vierde aflevering werd gedrukt. In deze vierde editie staan o.a. artikelen over ‘het vergeten Sinterklaasboek’ van Filip de Pillecyn (door Rita Ghesquiere), over de bronnen van Monsieur Hawarden (door Frans-Jos Verdoodt) en de Pillecyn’s ‘repressieroman’ Aanvaard het leven (1956) (door Kris Humbeeck). Tevens zijn opgenomen De Pillecyn’s nog ongepubliceerde kerstverhaal De dief, alsook zijn ‘Herinneringen aan het frontleven’.
Behalve gegevens over het Jaarboek en andere uitgaven van het Filip de Pillecyn Comité bevat de website allerhande biografische en bibliografische informatie en wetenswaardigheden, een aantal toondichten en een stemfragment van Filip de Pillecyn.
Links: www.dbnl.nl; www.filipdepillecyn.be; Literair Gent over Filip de Pillecyn.
Zoals zijn gedichten ontstonden, zo ontstonden ook zijn monochrome schilderijen, die hij zelf ‘gedachtenlandschappen’ noemde, in een zorgvuldige intuïtieve opeenstapeling van beelden. Honderden en honderden kleine verfstippen, toetsen, veegjes en klodders vulden het linnen doek. Ook de schilderijen zijn geïnspireerd op de betoverende, verwoestende kracht van de natuur en komen voort uit het onvermijdelijke besef van vergankelijkheid, zoals in ‘Na de zomer’: ‘Het besef: Wij waren/ Er even bij – / Een voetstap / Die geen echo achterlaat’.
Aldus Onno Blom in het nawoord bij de door hem bijeengebrachte Verzamelde gedichten van Jan Wolkers (1925-2007). De nauwe relatie tussen Wolkers’ poëzie en beeldende kunst wordt gesymboliseerd door het witkartonnen doosje waarop hij zijn laatste versregels neerkrabbelde: ’Zoals mijn dagen gaan, / ik zou het niet meer weten’. Biograaf Blom vond het op Wolkers’ werktafel in het atelier op Texel: tussen de tubes met verf en potten met penselen, dichtbij het lege doek dat nog altijd op zijn schilder wacht.
‘Zoals hij beeldhouwde met woorden, zo dichtte hij met verf’, schreef Blom op 17 oktober in Trouw. Nadat hij Wolkers’ poëzie van dit commentaar voorzag, plaatste hij Wolkers’ beelden naast diens woorden in het boek Marszwart en Titaanwit. De titel verwijst naar de kleuren van twee tubes olieverf die de kunstenaar vlak voor zijn dood bestelde: Wolkers wilde nog één keer een groot winterlandschap schilderen. De tube Marszwart werd bezorgd op de dag dat hij stierf.
Marszwart en Titaanwit verscheen ter gelegenheid van de tentoonstelling over het beeldend werk van Jan Wolkers in het Stedelijk Museum De Lakenhal te Leiden, die werd geopend op de eerste sterfdag van de schrijver/ kunstenaar: 19 oktober 2008. Rondom de tentoonstelling, die nog tot en met 15 februari is te zien, organiseert het museum allerlei activiteiten, waaronder lezingen, wandelingen, een toneelstuk gebaseerd op de roman Kort Amerikaans (1962) en een ‘levend archief’ in een duinpan bij Wassenaar, waar een heel jaar lang (van 1 januari t/m 31 december 2009) hommages aan Wolkers kunnen worden gebracht, die op een interactief internetplatform geregistreerd zullen worden. Van de lezing door Onno Blom over ‘Wolkers en Leiden’, op 2 november 2008, is een filmopname gemaakt die hier te bekijken is.

Zowel Wolkers’ Verzamelde gedichten als het boek Marszwart en titaanwit, vormgegeven door ontwerpster Irma Boom, zijn vanaf nu in de letterenbibliotheek van het P.C. Hoofthuis te lezen en lenen (zie de aanwinstenkast), evenals Blom’s eerder-verschenen requiem voor Wolkers Zo is het genoeg (zie: NED LET “19″ WOLK BLO).
Links: www.lakenhal.nl; Jan Wolkers in de DBNL; KB-dossier Jan Wolkers; Onno Blom over ‘Zo is het genoeg‘; Wolkers op Boeken.VPRO.nl.
Elk jaar geeft de Nederlandse Taalunie Taalpeil uit: de krant met actuele cijfers, feiten en meningen over de Nederlandse taal in Nederland, Vlaanderen en Suriname. De editie van 2008, die afgelopen week verscheen, getiteld ‘Hopende u hiermede van dienst te zijn’, is gewijd aan het thema Burger-taal-overheid. De artikelen gaan over wat burgers van ambtenarenteksten vinden, wat ze van het taalgebruik van de overheid verwachten en wat de overheid moet én doet voor de taalgebruiker. Behalve 1000 Nederlanders, Vlamingen en Surinamers zijn ook ambtenaren zelf over dit thema ondervraagd. Klik hier voor de online-versie van Taalpeil 2008. Op de website van de Taalunie zijn ook de vorige edities (van 2005 tot en met 2007) te downloaden.
Eveneens online is het novembernummer van Taalschrift, tijdschrift over taal en taalbeleid, met daarin een reportage over de ‘correcte’ uitspraak van het Nederlands en een artikel van Erik Spinoy, literatuurwetenschapper en dichter, over de vraag: “Maakt het prijzencircus de literaire kritiek monddood”?”

Recente reacties